|
'Witte' school vergeet VVE |
 Didaktief, oktober 2010. Hoe minder gewichtenleerlingen een school heeft, hoe minder werk ze van voor- en vroegschoolse educatie (vve) maakt. Dit blijkt uit onderzoek van het Kohnstamm instituut onder schoolbesturen.
Sinds 2006 moeten alle basisscholen een vorm van vve bieden aan leerlingen met een gewicht, ook als deze leerlingen op school in de minderheid zijn. Om na te gaan in hoeverre dit daadwerkelijk gebeurt, bevroeg het Kohnstamm Instituut in opdracht van expertisecentrum ECO3, 163 schoolbesturen. Gevraagd werd naar hun visie op voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de mate waarin de scholen onder het bestuur de doorgaande leerlijn in vve – van voorschool tot en met de eerste twee leerjaren in het basisonderwijs – realiseren. Verreweg de meeste schoolbesturen zien de waarde van vve en ondersteunen het vve-beleid, in samenwerking met hun gemeenten. Opvallend is wel dat veel besturen, ondanks dat zij iemand in dienst hebben met vve-deskundigheid, weinig sturend optreden. Zo vindt de toedeling van het gewichtenbudget over het algemeen niet geoormerkt plaats, zodat de scholen het geld naar eigen goeddunken kunnen inzetten. De uitvoering van vve op de scholen blijkt samen te hangen met het aandeel gewichtenleerlingen. Op de scholen met meer dan 40 procent gewichtenleerlingen is vve, zoals te verwachten, het best gerealiseerd. Die scholen gebruiken het vaakst een vve-totaalprogramma en hebben de meeste daarvoor gecertificeerde leerkrachten in dienst. Zorgelijk is de gebrekkige ‘dubbele bezetting’: slechts op een derde van de scholen is voor vier dagdelen een extra leerkracht of onderwijsassistent aanwezig. Van de scholen met weinig gewichtenleerlingen (minder dan 20 procent) werkt slechts één op de zes met een vve-totaalprogramma. Bij vijf van de zes scholen met weinig gewichtenleerlingen is minder dan de helft van de leerkrachten vvegecertificeerd. Van dubbele bezetting is slechts bij zes procent van deze scholen sprake. De resultaten voor de ‘gemengde’ scholen (tussen 20-40 procent gewichtenleerlingen) liggen hier tussenin. Voor een doorgaande lijn binnen vve zijn op het niveau van de schoolbesturen goede contacten nodig met welzijn en kinderopvang. Bij vrijwel alle grotere besturen en bij driekwart van de kleinere besturen zijn die contacten er. Alle scholen met veel gewichtenleerlingen (100 procent) werken samen met voorschoolse voorzieningen; voor de scholen met weinig gewichtenleerlingen is dat nog altijd 56 procent. Het grootste probleem blijkt de te krappe financiering sinds de gewijzigde gewichtenregeling. Daardoor komt de dubbele bezetting in de knel en blijft de realisatie van vve gebrekkig, vooral op de scholen met weinig gewichtenleerlingen. / Maartje van Daalen Veen, A., Daalen, M. van, & Heurter, A. (2010). Doorgaande leerlijnen voor- en vroegschoolse educatie. Survey onder schoolbesturen. Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Voor het volledige rapport: klik hier.
|