|
Referentieniveaus zijn te laag |
 Didaktief, oktober 2010. Oefen werkwoordspelling systematisch in het voortgezet onderwijs en krik de referentieniveaus op. Zo voorkom je weglek van leerresultaten van basisscholieren, aldus neerlandica Jannemieke van de Gein. Want in groep 8 konden ze het wel.
In ruim 75 procent van de teksten die basisscholieren maken aan het eind van groep 8 zit geen enkele fout in werkwoordvormen. Dat percentage blijkt uit gedetailleerde bestudering van de periodieke peilingen van het onderwijs en is al twintig jaar stabiel. Bij het eindexamen havo en vwo, voor de meeste leerlingen vijf en zes jaar later, verdient nog maar veertig procent het predicaat foutloze werkwoordspelling. Dat heeft Jannemieke van de Gein ontdekt, toen zij circa honderd eindexamens Nederlands havo en vwo onderzocht. Haar steekproef suggereert het weglekken van een flinke dosis kennis die op de basisschool is aangeleerd. Jammer, zegt ze, want juist daar is er, met name in groep 6, veel tijd en energie in gestoken. ‘Op hogescholen en universiteiten wordt steeds vaker aandacht besteed aan spellingsproblemen van instromende studenten. Op basis van haar steekproef pleit Van de Gein ervoor meer tijd vrij te maken voor werkwoordspelling op de middelbare school. 'Daar geldt het als lesstof voor de basisschool en wordt het niet meer systematisch geoefend. Het zou beter zijn dat wel te doen en ook bij andere vakken dan Nederlands op spelling te letten.Er zal aan gewerkt moeten worden.’ De referentieniveaus taal die onlangs zijn ingesteld, bieden geen oplossing, vindt Van de Gein. Sterker nog, ze doen scholieren te kort. Want feit is dat de eisen waaraan leerlingen straks moeten voldoen eind havo en vwo (75 procent beheerst werkwoordspelling foutloos) eigenlijk al in groep 8 van de basisschool gehaald zijn. Er mag dus meer van leerlingen verwacht worden na vervolgonderwijs. Van de Gein: 'Je zou als referentieniveau kunnen nemen dat eind havo of vwo minstens negentig procent werkwoorden foutloos kan spellen. Hoe verklaart Van de Gein deze lage referentieniveaus van de commissie? 'De commissie die in korte tijd heel veel werk moest verzetten en dat goed deed, maakt hier een denkfout. Ze zegt: “De vaardigheid van leerlingen kun je beoordelen aan de hand van eigen werk, dáár moet het in orde zijn. Maar het is niet in orde, dat zien wij aan de toetsen die leerlingen maken.” Dan kun je het dus eigenlijk niet echt zien: je concludeert iets over A terwijl je B hebt bekeken. Naar mijn mening is toetsen moeilijker dan eigen werk en verklaart dat de slechte vaardigheden die de commissie signaleert. Vergelijk het met het Groot Dictee der Nederlandse taal. Ook wie goed kan spellen, maakt daar veel fouten. Om echt iets te kunnen zeggen over spellingsvaardigheden van leerlingen, moet er meer onderzoek komen naar eigen werk.’ / MM
|