Didactief logo RSS Feeds Facebook LinkedIn Twitter

PISA waarschuwde ons al jaren voor dalend peil wiskundeonderwijs
Het onderzoek van het Centraal Planbureau over de economische schade van het afkalvend wiskundeonderwijs is inmiddels onderuit gehaald. Toch is er alle reden tot zorg over de staat van het Nederlandse wiskundeonderwijs, betoogt Jan de Lange, voormalig hoogleraar-dircteur van het Freudenthal Instituut. Al jaren verbaast hij zich over de vergoeilijkende reacties op de PISA-uitslagen voor wiskunde. En dat terwijl Nederland steeds verder wegzakt..

Wiskunde heeft in de Nederlandse verslaggeving over PISA, het driejaarlijkse internationale onderzoek naar de kwaliteit van onderwijs, altijd een prominente rol gespeeld. Waarschijnlijk omdat dat voor Nederland altijd een toppositie leek op te leveren. Leek, want in werkelijkheid komt het Nederlandse wiskundeonderwijs er steeds slechter voor te staan.

In 2000, bij de uitslagen van het eerste PISA-onderzoek, leek het allemaal nog koek en ei. Nederland behaalde voor wiskunde de hoogste score van alle deelnemende landen: goud, als het ware.

In het Nederlandse rapport stond Nederland fier bovenaan. Helaas in het internationale rapport niet: Nederland voldeed niet aan de statische normen en werd daarom gediskwalificieerd. Pogingen van Nederland om te bewijzen dat het echt wel snor zat met die representativiteit strandden. Gouden medaille kwijt!

Opmerkelijk is dat Nederland na de uitkomst van PISA 2009 last lijkt te hebben van een spontaan geval van geheugenverlies. Er wordt alleen nog maar gerefereerd aan de uitkomsten van 2003 en 2006. De reden is duidelijk: Nederland wil niet zien hoe slecht het er op wiskundegebied voorstaat.

Damage control
Een van de hoofddoelstellingen van PISA is om trends in onderwijskwaliteit te meten. Dat dat op meer manieren kan, wordt duidelijk als we inzoomen. In 2000 scoorden we dus een gouden medaille, met een score van 564 (waarbij 500 de gemiddelde score van OECD-landen is). Voor wiskunde daalden de Nederlandse scores van 564 in 2000 (gediskwalificeerd), via 538 in 2003 en 531 in 2006 naar 526 in 2009.

In 2003 werd in het officiële Nederlandse rapport opgemerkt dat er tussen 2000 en 2003 ‘waarschijnlijk’ sprake is van een licht achteruitgang. Nederland zat toen natuurlijk in een spagaat: eerst claimen dat de score van 564 echt representatief is en dan, als er sprake is van een grote teruggang de score van 2000 bagatelliseren. De officiële versie van de OECD luidde: voor wiskunde kunnen we geen trend bepalen omdat er maar twee van de vier inhoudelijk clusters zijn getoetst in 2000, en dus geen trendbepaling mogelijk is.

Politiek gezien een handige poging tot ‘damage control’, maar aantoonbaar onjuist. Immers de twee clusters van 2000, ‘Vorm en Ruimte’ en ‘Veranderingen en Relaties’, kwamen wel terug in 2003, deels met dezelfde ‘ankeropgaven’. Vergelijking is dus heel wel mogelijk en zonder meer interessant: de score op deze domeinen daalde namelijk van 564 in 2000 naar 538 in 2003. In 2006 berekenden CITO en het Freudenthal Instituut (2006) dat de Nederlandse score bij volledige representativiteit niet onder de 544 zou kunnen liggen. Dus met veel goede wil is de trend van Nederland: 544, 538, 531 en 526. Steeds verschillen die net wel of net niet significant zijn. De politiek benadrukt heel handig juist de niet-significantie.

Probleemoplossen
Een inhoudelijk analyse van de prestaties van Nederlandse leerlingen laat duidelijk zien waar onze problemen zitten, en ook dat ze verergeren. Opvallend is dat Nederland uitstekend scoort bij eenvoudige routineopgaven. Gouden medaillewinnaar Finland is op dit punt maar marginaal beter dan Nederland.

Daar staat helaas tegenover dat Nederland achter lijkt te blijven bij de meer formele aspecten van wiskunde, en zeker bij hogere vaardigheden als redeneren en probleemoplossen. Juist bij de wiskundeopgaven waar probleemoplossen belangrijk was, scoorde Nederland matig. In geen enkel deelnemend land is het verschil in score tussen ‘problemsolving’ en wiskunde zo groot als in Nederland. Dat is des te zorgwekkender, omdat deze hogere vaardigheden volgens de OECD nou net de competenties voor de 21e eeuw zijn.

Zorgwekkend is verder dat slechts weinig Nederlandse vmbo-leerlingen het streefniveau voor wiskundige geletterdheid voor jongeren van 15 jaar halen. Wel doen de laagscorenden het in vergelijking met andere landen relatief nog heel goed. Ofwel, zoals zo vaak bij PISA: relatief goed, maar absoluut gezien heel matig. Het zou goed zijn als de politiek zich ook eens om deze absolute uitslagen zou bekommeren.

Een andere probleemgroep vormen de meisjes. Ging in 2003 nog de vlag uit omdat meisjes hun achterstand op jongens vrijwel hadden ingehaald, inmiddels zijn we weer terug bij af. De eerste onrustbarende signalen dateren van 2006 en 2009 bevestigt de groeiende achterstand van meisjes.

De lessen uit PISA
Wat leert PISA ons voor de periode vanaf 2000 tot heden:

• Nederland zakt steeds verder weg, zowel relatief (anderen halen ons in) als absoluut (Nederland scoort lager).

• Slechts weinig vmbo-leerlingen zijn wiskundig geletterd, al scoren ze relatief hoog, in vergelijking met andere landen

• Nederland is slecht in hogere vaardigheden zoals redeneren, probleemoplossen en kritisch denken, door de OECD de competenties voor de 21e eeuwgenoemd

• De gender gap, in 2003 verdwenen, is weer in alle hevigheid terug: vooral meisjes blijven achter bij de meer reflectieve opgaven

Kortom: het is tijd om de uitkomsten wat meer serieus te nemen dan het ministerie dit tot op heden doet. Het tij moet gekeerd worden. En de aankondiging van een inhoudsloos Excellentie-programma, met daarbij de ambitie om in 2015 een hogere PISA-score te halen, is vooralsnog een machteloos politiek gebaar.

In ons eerstvolgende nummer (te verschijnen in september) publiceert Didaktief een uitgebreidere analyse van Jan de Lange van de PISA-scores voor wiskunde.

 
Dit nummer:
 
Onderwijs & ICT 2012
Orde houden
Klas van Juf Linda
Didaktief
Lees eens wat anders

Geluksmomenten

Ze zijn er nog, bevlogen mensen in het onderwijs. Deze maand dramadocent René Koenegras. Hij geeft leerlingen van de Rebound spelenderwijs sociale vaardigheden mee. ‘Lachen schept een intieme band.’
Deze maand in Didactief...

 

Kwetsbaar
'Laat kwetsbaar Nederland niet vallen', mailde een vriendin mij, 'teken de petitie'. Dit was een persoonlijk verzoek om steunbetuiging. Het was niet de enige.
Lees meer...

 

Mail en win

ordegenerator









Orde genereert orde, wanorde genereert wanorde. In zijn handboek De Ordegenerator laat René Kneyber zien hoe docenten 'het motortje van orde' kunnen aanzwengelen en aan de gang houden.

Didactief mag vijf exemplaren van dit boek weggeven. Mail je naam en adres naar Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

 

Leerlingen moeten opstaan als hun docent de klas binnenkomt.

Facebook
Twitter
LinkedIn
RSS Feeds
Nieuwsbrief